Geschiedenis

 

torenbrandAls op zondagmiddag 13 mei 1725 de bliksem in het puntje van de toren van de Stephanuskerk slaat, vliegt de spits in brand. Ook het dak van de kerk vat vlam. Puin en balken van de toren vallen door de gewelven heen en vernielen het orgel. 

 

In 1757, 32 jaar na de ramp, neemt de raad van Hasselt een besluit over een gift van een orgel in de kerk en het aanstellen van een organist. Het duurt echter tot 1802 voordat de municipaliteit de burgers van de stad oproept om te komen tot stichting van een orgel tot sieraad der kerk, opwekking bij de Godsdienstoefening en tot luister van de stad zelve. Het gemeentebestuur schreef een openbare intekening uit en een orgelcommissie werd in het leven geroepen.

Als adviseur werd Cornelis Berghuijs, organist van de Bovenkerk in Kampen, benoemd. Hij nam de orgelcommissie mee naar het pas voltooide Rudolph Knol orgel in Oosterwolde. Berghuijs was goed bekend met het werk van Knol omdat hij in 1796 het Knol orgel in de Hervormde Kerk van Zwartsluis had gekeurd. Commissielid R. van der Vegt besloot zijn broer in Amsterdam te raadplegen. Samen met diens plaatsgenoot en vriend, J. Nieuwenkamp, zocht hij daar een geschikte orgelbouwer. Twee orgelbouwers uit de hoofdstad dienen dan ook een bestek in bij de orgelcommissie te Hasselt, namelijk Johannes Strümphler en Jan Jacob Vool. Vanuit Zwolle stuurde ook de Groningse orgelmaker Heinrich Hermann Freytag een aantal bestekken.

 

Het bestek van Rudolph Knol is in meervoud bewaard gebleven. Hij stelt een orgel voor met twee handklavieren enstichting-1 25 registers.Op 26 oktober 1802 werd de bouw van het orgel definitief aan Rudolph Knol uitbesteed.

 De bouw van het orgel stagneerde enigszins door een tekort aan Engels tin. Knol heeft het orgelmetaal ter plaatse gegoten. Hij werd bijgestaan door tijdelijke hulpknechten. Op 7 november 1806 werd de Amsterdamse beeldhouwer Lorenzo Grisanti opdracht gegeven tien beelden voor het orgel te maken. Het eigenlijke orgel was inmiddels gereed en op 21 november 1806 werd het orgel onderworpen aan een "finale Examinatie". Het keuringsrapport werd opgesteld door Cornelis Berghuijs. Hij schreef aan de "Heeren Gecommitteerden van het Nieuwe Orgel in der kerk te Hasselt" dat het voltooide orgel "den Orgelmaker Rudolf Knol tot roem! De Kerk tot Cieraad! De Gemeente, de Magistraat der Stad! De Gecommitterden tot gemelde orgel! Een altoosdurend gedenkteken en Dankbaare nagedagtenis."

 

 

 

 

 

 

Op 27 maart konden de gipsen beelden eindelijk door de gecommitteerden worden goedgekeurd. Drie dagen later werd het instrument door de Hasselter organist C.J. Freislich ingewijd. De stichting-2plechtige inwijding duurde een hele dag. Ds. Hugenholtz preekte ’s morgens over Psalm 23 en Ds. Venema ’s middags over Jesaja 30. Speciaal uitgekozen Psalmen en speciaal voor het gelegenheid vervaardigde Gezangen werden gezongen. Ook de magistraten en gecommitteerden hielden toespraken. ’s Avonds werd een vriendschappelijke bijeenkomst gehouden op het Raadhuis voor genodigden. Bij oplevering had het Hasselter orgel 26 registers verdeeld over twee klavieren. Het was, en zou blijven, het magnus opus van de orgelmaker Rudolph Knol.

 

 

Na de oplevering

Het orgel in Hasselt wordt gekenmerkt door een stevige grondtoon, luide tongwerken en briljante vulstemmen. Hoewel de orgelkas wel modern was voor die tijd, was de dispositie van het orgel dat geenszins. De vele vulstemmen, en vooral de Cimbel en Ruispijp wijzen overduidelijk terug naar het orgel van Norden die Knol uit zijn jeugd goed kende. Ook de pijpen in de zijkant van de Rugwerk kas wijzen terug naar Arp Schnitger. De dispositie was eigenlijk al een eeuw gedateerd. Dit was de reden dat het orgel in 1914 door de Kamper orgelmaker Jan Proper werd omgebouwd. In 1822 had al een reparatie plaatsgevonden door N.A. Lohman. Precies dertig jaar later werd het orgel onderhanden genomen door J.C. Scheuer uit Zwolle en wit geschilderd.Knolorgel-zwartwit

 

 

 

De geschilderde draperie rond het orgel werd overgewit. Rond die tijd moet de firma Naber uit Deventer ook aan het orgel hebben gewerkt. Het KNOL orgel na de bouw 32 In 1862 werd het onderhoud van het orgel overgedra- gen aan Jan van Loo uit Zwolle. In 1863 herstelde hij het orgel en bracht nieuwe registerplaatjes aan. Hij werd in 1875 opgevolgd door Zwier van Dijjk, organist en orgelmaker uit Kampen. Zijn plaatsgenoot en neef, Jan Proper, nam zijn taak in 1894 van hem over. Tijdens een kerkrestauratie in 1904 werd de geschilderde draperie herontdekt en weer zichtbaar gemaakt.

 

 

 

regristratieDe restauratie van de kerk werd opgevolgd door die van het orgel. Was het orgel ongeschonden de 20e eeuw binnengekomen, in 1914 werd het orgel door Jan Proper aangepast aan het toen geldende klankbeeld. De op Schnitger geïnspireerde Ruispijp en Cimbel werden vervangen door een Salicionaal en Voix Celeste. De Nasard werd verschoven tot Fluit 4’. Het orgel verloor haar briljante en heldere klank. 33 In 1953 en 1959 werd het orgel onderhanden genomen door respectievelijk L. Verschueren en Willem van Leeuwen. In 1964 werd het orgel gedemonteerd toen er een begin gemaakt was met een omvangrijke restauratie van de kerk. K.B. Blank kreeg de opdracht het orgel terug te brengen naar de situatie van 1806 en uit te breiden met een vrij pedaal. Het orgel werd weer in de oorspronkelijke rode kleur geschilderd en de draperiebeschildering gerestaureerd. Dit alles stond onder leiding van de Rotterdammer organist en adviseur, Dirk Jansz Zwart. Aan de kwaliteit van het werk van K.B. Blank hoeft niet getwijfeld te worden maar de communicatie tussen hem en de opdrachtgever, en in het bijzonder Ds. Treure, liep alles behalve goed. Na vele woordenwisselingen en brieven werd besloten het contract met Blank te verbreken. L. Verschueren werd gevraagd de restauratie af te maken, vooral van de tongwerken. 34 In 1970 was het orgel speelklaar. Voor die tijd was het een uitmuntende restauratie. Op twee punten was het minder geslaagd. De nieuwe windvoorziening bleek niet juist gekozen te zijn waardoor het orgel enigszins windziek is geworden. Ook de tongwerken zijn niet optimaal gerestaureerd. Door het bezielende spel van organist Egbert Woelderink en zijn vele orgelopnames kreeg het orgel snel bekendheid in het hele land en ver daarbuiten. Het Knol orgel werd voltooid vier jaar voor de definitieve scheiding van Kerk en Staat en is daarmee misschien wel het laatste Nederlandse stadsorgel. Het orgel is een belangrijke transitie tussen het oude Noord-Duitse Baroque orgel en het nieuwe Nederlandse Roman- tische orgel. Wat het ook precies mag zijn, het orgel is den Orgelmaker Rudolf Knol tot roem! De Kerk tot Cieraad! Een altoosdurend gedenkteken en Dankbaare nagedagtenis.

 

 

  

Met dank aan Brad J. Wursten – 2007